De
bespreking door
fons
Daamen (Moulin Blues Ospel) van
4-7-2010SCOTT MCKEON -
TROUBLE
Zijn debuutalbum: ‘CAN’T TAKE NO MORE’ heeft
ervoor gezorgd dat de 23 jarige Brit, Scott McKeon al een aantal jaren als
veelbelovend talent te boek staat. Het heeft er zelfs voor gezorgd dat hij
daarmee in 1998 de titel ‘Young Guitarist Of The Year’ in de wacht kon slepen.
Het werd stilaan wel tijd voor een opvolger. Eindelijk is deze er nu onder de
titel TROUBLE’; een album met daarop twaalf tracks en waarvan McKeon de
productie zelf ter hand heeft genomen.
Luister naar: ’THE GIRL’.
Op zijn nieuwe album zoekt Scott McKeon de
grenzen op van wat bluesmuziek eigenlijk is; hij heeft zich hierbij in het
geheel niet laten inperken. Daardoor kom je naast bluesrock ook funky jazz
(‘BROKEN MAN’) tegen; toont hij affiniteit met Soul en R&B, of tovert hij een
blazerssectie tevoorschijn (‘GIVING ME THE BLUES’). Mocht er verder nog iemand
zijn die onvoldoende op de hoogte is van McKeon’s kwaliteiten als gitarist, dat
overigens sterk wordt beïnvloed door zijn grote voorbeeld Stevie Ray Vaughan;
dan raad ik deze aan even naar het ruim 8 minuten durende ‘ALL THAT WE WERE’ te
luisteren. Ik heb er alle vertrouwen in dat daarmee de laatste twijfel over zijn
kunnen wordt weggenomen.
Het zal waarschijnlijk niet verbazen dat door dit alles de nummers op het album
goed in het gehoor liggen en terwijl hij bij deze opnamen er zelf niet voor
terugdeinsde om een enkele keer de toetsen van het orgel te bedienen; soms ook
eens aan de bas te plukken en de percussie voor zijn rekening te nemen, is het
hem ook nog eens gelukt om een paar klasbakken als gastmuzikant aan zijn band
toe te voegen. Zodoende komen we de namen van Robbie McIntosh (Pretenders, Paul
McCartney; Roger Daltrey) en David Ryan Harris (John Mayer) op het album tegen.
Al met al is ‘TROUBLE’ een erg gevarieerd en veelzijdig album geworden, dat het
zeker goed zal gaan doen. Ook al is het naar mijn idee hier en daar een beetje
overgeproduceerd en mag het soms nog wel een beetje rauwer klinken. Scott McKeon
is echter nog jong; dus dat laatste komt de komende jaren ongetwijfeld ook nog
wel goed.
Ik sluit af met: ‘GIVING ME THE BLUES’.
Tot de volgende keer

De
bespreking door
fons
Daamen (Moulin Blues Ospel) van
20-6-2010
JOE BONAMASSA -
BLACK ROCK
Gezien het gedrag en opstelling van zijn band
tijdens het MBF in 2009, mag je wel stellen dat we waarschijnlijk nooit vrienden
zullen worden, alhoewel het met Joe Bonamasssa zelf eigenlijk wel meevalt en het
zijn hofhouding is die voor de problemen zorgt. Verder kun je van alles over hem
zeggen; maar niet dat het iemand is die stilzit. Vrijwel elk jaar verschijnt er
een nieuw album van hem, ook nu weer. Voor het opnemen van zijn 10e album is hij
zelfs naar Griekenland getogen, naar de Black Rock Studios in Santorini waar hij
met naast zijn eigen bandleden ook met locale musici een aantal nummers heeft
opgenomen.
Ga maar eens luisteren naar: ’BIRD ON A WIRE’.
De titel van het nieuwe album is een verwijzing
naar de studios waar het album is opgenomen. Onder de dertien nummers die het
album telt komen we een 8- tal covers tegen waaronder Willie Nelson ‘s: ‘NIGHT
LIFE’, waarbij Bonamassa’s ontdekker BB King ook nog even mee komt doen. Ook
John Hiatt’s: ‘I KNOW A PLACE’ en Leonard Cohen’s: ‘BIRD ON A WIRE’ staan
daartussen, waarvan de laatste wel op een mooie manier op het album is
terechtgekomen. Het vormt eigenlijk het enige rustpunt op het album; bij de
overige nummers wordt toch wel stevig uitgepakt. Verder komen we qua covers o.a.
nog Jeff Beck’s: ‘SPANISH BOOTS’ en Otis Rush’s: ‘THREE TIMES A FOOL’ tegen.
Het gitaarspel van Joe Bonamassa is zoals wel te verwachten was weer erg solide.
Hij heeft inmiddels een eigen stijl weten te ontwikkelen waarmee hij een voor
hem herkenbaar geluid heeft. Iets dat alleen de betere gitaristen is gegeven.
Toch is er ook een minpuntje te benoemen. Bonamassa is op zijn nieuwe album een
beetje aan het experimenteren geweest met Griekse instrumenten als bouzouki en
clarino (een soort klarinet). Het is hem daarbij niet echt gelukt om met
gebruikmaking van deze instrumenten het echte bluesgevoel op te roepen; hierdoor
wekken deze instrumenten dan ook eerder irritatie op dan fascinatie.
Daarmee hebben we het wat de kritiek betreft ook wel weer gehad want verder is
het een redelijk veelzijdig album.
Eind dit jaar komt Bonamassa weer naar
Nederland voor een aantal optredens; daarna gaat hij zich aansluiten bij een
supergroep, samen met Glenn Hughes (Deep Purple) en Jason Bonham (zoon van John
Bonham, Led Zeppelin) gaat hij de band Black Country vormen. Benieuwd waar dat
op uit gaat draaien.
Ik sluit af met een cover van James Clark:
‘LOOK OVER YONDERS WALL’.

De
bespreking door
fons
Daamen (Moulin Blues Ospel) van
13-6-2010
KING MO - SWEET
DEVIL
King Mo is een fenomeen binnen het bluescircuit.
In haar korte bestaan heeft deze band een goede reputatie als live-act weten op
te bouwen. De bezetting van King Mo kent geen onbekende namen. De leden van de
band werden begin 2009 gerekruteerd uit 3 andere bands te weten Phil Bee and the
Buzztones, The Strikes en Memo Gonzalez.
Al eerder verscheen van King Mo het veredelde demo-album ‘LIVE AT THE
BONBONNIERE’. In de tussentijd hebben de mannen echter niet stilgezeten. Het
nieuwe album is er al.
Ga maar eens luisteren naar: ’SUITS ME RIGHT’.
Met ‘SWEET DEVIL’ is er weer gekozen voor een
cd met live muziek. Ditmaal opgenomen op diverse lokaties in Nederland. Er staan
9 nummers op het album waarvan 6 eigen. Al vanaf het eerste nummer: ‘NO USE
DENYING’ wordt al duidelijk waarom King Mo, momenteel zo hot is. De enige
pretentie die de band heeft is om muziek vanuit het hart te maken en dat is ook
wat je hoort. Negen sterke nummers met de stem van Phil Bastiaans plus een
ritmesectie bestaande uit Jules van Bussel op bas en Henk Punter op drums. Het
plaatje wordt compleet gemaakt door het gitaarspel van Sjors Nederlof die
daarmee een centrale rol binnen de band krijgt toegemeten en last but not least
Colly Franssen op Hammond-orgel; Wat is dat toch een heerlijk instrument; alleen
al met gebruikmaking hiervan wordt de muziek naar een hoger plan getild.
Dit alles maakt dat we hier te maken hebben met een prima band en prima muziek;
het nodigt uit om vaker te beluisteren. Voor mijzelf is het absolute hoogtepunt
de laatste track; tevens klassieker: ‘AIN’T NOBODY’S BUSINESS IF I DO’. Hier
valt alles samen en wordt nog eens onderstreept waar het allemaal om te doen is;
de passie.
Er schijnt nog een hidden track met de titel ‘Lay It Low’ op het album te staan;
ik heb die zelf nog niet kunnen vinden. Het schijnt ook niet echt gemakkelijk te
zijn om deze te vinden. Reden te meer om deze cd nog maar weer eens in mijn cd
te steken, een straf is het toch al niet om naar deze muziek te luisteren, en
overigens is het gewoon zo, dat ik wel alles wil horen wat er op het album
staat.
Ik sluit af met: ‘MAKE IT RIGHT’.

De
bespreking door
fons
Daamen (Moulin Blues Ospel) van
6-6-2010
MUMFORD & SONS -
SIGH NO MORE
Mumford & Sons is een Londense folk rockgroep
bestaande uit Marcus Mumford, Winston Marshall, Ben Levett en Ted Dwane.
De band bestaat sinds eind 2007. Het debuutalbum: ‘SIGH NO MORE’ verscheen al
eind 2009 en inmiddels hebben zich al diverse recensenten erg lovend over deze
band en het album uitgelaten. Ook aan de radiostations is de muziek van deze
band niet onopgemerkt gebleven. ‘LITTLE LION MAN’ het singlenummer van het album
is hier al regelmatig te horen geweest.
Tijd dus om zelf eens te gaan luisteren naar:
’WHITE BLANK PAGE’.
Ik ga er zelf verder ook geen doekjes om
winden; ik kan maar geen genoeg van het album krijgen; de repeatknop maakt zijn
functie deze dagen meer dan waar; zo bijzonder vind ik het allemaal. In de 12
nummers op het album staan veelal liefdesperikelen op de voorgrond, hetgeen met
de krassende stem van Marcus Mumford sfeervol in beeld wordt gebracht. En hoewel
het in de songs vaak niet goed afloopt, is daar daarentegen in de muziek weinig
van te merken. De nummers kunnen dan wel somber worden ingezet; uiteindelijk
gaat dit over in een portie opzwepende muziek die zijn weerga niet kent; niet in
de laatste plaats door de gebruikmaking van instrumenten als akoestische gitaar,
contrabas, banjo en soms een drumkit. De neiging om de volumeknop in de hoogste
stand te zetten dringt zich al snel op, als ook de animo om mee te gaan blèren
met de muziek.
Het meeste indruk op het album maakt de samenzang van deze mannen. Deze is echt
onweerstaanbaar. Het enthousiasme en de uitbundigheid spat er vanaf. De muziek
is er een uit de beste Ierse en bluegrass – traditie en zou eerder met een
oudere generatie geassocieerd worden dan met een band bestaande uit prille
twintigers.
Voor mij kan het niet meer stuk; ik kan geen
zwakke momenten op het album ontdekken. ‘SIGH NO MORE’ is een debuut en het zal
zeker niet het laatste zijn wat we van Mumford te horen krijgen; wat mij betreft
hebben zij nu al een koppositie binnen hun genre veroverd.
Ik hoop dat velen deze ervaring met mij zullen delen.
Ik sluit af met: ‘AWAKE MY SOUL’.

ERIC BIBB -
BOOKERS’S GUITAR
Booker T. Washington die we beter kennen onder
zijn verbasterde naam: Bukka White is verantwoordelijk voor de start van de
carrière van één van ’s werelds bluesgiganten: BB King. King kreeg zijn eerste
gitaar van Booker en ook zijn stijl van gitaarspel blijkt een afgeleide te zijn
van het slidespel van zijn oudere neef.
Onlangs kreeg Eric Bibb via een fan een National gitaar van Booker in handen.
Deze ervaring heeft hem dermate aangegrepen dat hij daar maar meteen een album
aan wijdde met daarop 18 tracks. Het album kreeg de toepasselijke titel
‘BOOKER’S GUITAR’ mee; en is het 15e album van Eric Bibb.
Ga luisteren naar het titelnummer: ’BOOKER’S
GUITAR’.
De muziekstijl op het album is het beste als
blues met folk te omschrijven. Het lijkt allemaal zo eenvoudig wat Bibb op dit
album doet; de begeleiding wordt hier en daar aangevuld met een mondharmonica
maar voor het overige heeft hij niet meer dan zijn stem en een gitaar nodig om
zijn boodschap over te brengen. Bibb is in feite een verhalenverteller. Zo
vertelt hij in ‘NEW HOME’ over de terpentinekampen waaraan de Afro - Amerikanen
probeerden te ontsnappen; en staat de religie centraal in ‘ONE SOUL TO SAVE’; om
even later op de educatieve tour te gaan in ‘TURNING PAGES’ waarin hij
stimuleert om op zijn tijd een goed boek te lezen. Bij het nummer ‘TELL RILEY’
geloof ik wel dat duidelijk is wie hier bedoeld wordt. Kortom zo heeft elk
nummer zijn eigen verhaal.
Gezien het authentieke karakter zou het me niet verbazen als het hele album in
één take was opgenomen.
Ik proef het respect dat Bibb heeft voor de deltablues; of het nu een uptempo
nummer is of een meer ingetogen bluessong; elk nummer wordt met hart en ziel
voor het voetlicht gebracht, precies zoals de echte liefhebber het wil horen.
Bibb heeft niet altijd erkenning voor zijn
muziek gehad; vaak werd die afgedaan als middle of the road en de blues niet
waardig. Met dit album zal dat wat de erkenning betreft wel gaan veranderen.
Hier toont hij in elk geval aan een plaats binnen dit genre waardig te zijn.
Ik sluit af met: ‘EVERYDAY’S BEEN SUNDAY’.

COCO MONTOYA - I
WANT IT ALL BACK
De meesten weten wel dat Coco Montoya ooit
stergitarist was bij John Mayal & The Bluesbreakers. Wat menigeen ook weer niet
zal weten is dat hij zijn eerste schreden op het bluespad zette in de band van
Albert Collins maar dan wel als drummer. Collins was het die Montoya gitaar
leerde spelen. John Mayal raakte zo van hem onder de indruk dat hij hem vroeg
toe te treden tot zijn band. Die samenwerking duurde zo’n kleine twintig jaar;
tot Montoya eind jaren tachtig meer heil zag in een solocarrière. Inmiddels zijn
we 6 albums verder en heet zijn nieuwste: ‘I WANT IT ALL BACK’.
Ga maar luisteren naar: ’FANNIE MAE’.
Diegenen die op het nieuwe album van Coco
Montoya stevig gitaarwerk, toch wel zijn handelsmerk, dachten tegen te komen;
zouden wel eens bedrogen uit kunnen komen. Het spetterende gitaarwerk of de
stevige bluesrock heeft op het nieuwe album namelijk plaats gemaakt voor songs
die meer richting R&B gaan en waar vleugjes funk, soul en zelfs salsa in te
ontwaren zijn. De echte bluesliefhebber komt misschien nog wel het meest aan
zijn trekken bij het zojuist gehoorde ‘FANNIE MAE’; de track waarbij Rod en
Honey Piazza de gelederen zijn komen versterken.
Het album is, om een jargonterm te gebruiken, een open productie.
Verantwoordelijk hiervoor is Keb Mo’; hij werd aangetrokken om als producer van
het album te fungeren hetgeen aan het uiteindelijke resultaat duidelijk is te
merken.
Ondanks dat het album niet geheel aan de verwachting voldoet; aanvankelijk
misschien zelfs iets te commercieel klinkt en te veel richting popmuziek neigt,
mag je hier toch van een goed album spreken. Na een aantal keren luisteren moet
je ook gewoon kunnen concluderen dat het allemaal keurig verzorgd is op het
nieuwe album. Montoya zorgt voor prima gitaarwerk en is goed bij stem. Over het
algemeen genomen kan gezegd worden dat verzorgdheid, frisheid en melodieuze
composities de sleutelwoorden zijn voor het album. Een en ander wordt nog eens
ondersteund met mooie achtergrondzang, blazers en Hammondklanken. Eigenlijk
ideaal voor een ontspannen voorjaarsavondje.
Ik sluit af met: ‘DON’T GO MAKIN’ PLANS’.

SUGAR BLUE -
TRESHOLD
Geboren als James Whiting groeide Sugar Blue op in Harlem New
York. Hij wordt gerekend tot de betere mondharmonicaspelers getuige ook zijn
opnames met legendarische figuren als Brownie McGhee, Roosevelt Sykes en Memphis
Slim. Maar ook The Rolling Stones kenden ’s mans kwaliteiten. Zij maakten
gebruik van diens specialiteit op hun albums: ‘SOME GIRLS’ en ‘TATTOO YOU’. Toch
bleef Sugar Blue ook een solocarrière nastreven; zelfs het aanbod om met de
Stones op tournee te gaan werd hiervoor afgeslagen. ‘TRESHOLD’ is inmiddels zijn
zesde soloalbum
Ga maar eens luisteren naar: ’COTTON TREE’.
Ik weet niet of het nu zo’n goed idee was om een toer met de
Stones af te slaan om aan zijn solocarrière te werken. Want laten we wel wezen;
iemand mag dan wel een goed mondharmonicaspeler zijn; dat wil nog lang niet
zeggen dat hij dan ook een goed songschrijver en bandleider is. In het geval van
Sugar Blue en zijn nieuwe album wordt dit op pijnlijke manier duidelijk. Het
harmonicaspel is nog wel goed te verteren maar daar blijft het ook wel bij. Voor
het overige is er niet veel positiefs te melden over het nieuwe album. Ik kan
hier nu wel een verhaal vertellen over de verschillende stijlen die op het album
voorbij komen zoals een beetje jazz; een beetje funk; een beetje blues en zelfs
een beetje pop. Ook schijnt het zo te zijn dat onder de studiomuzikanten een
aantal gerespecteerde namen voorkomen, maar daarmee is dan ook wel alles gezegd,
want voor het overige is het een album dat nergens echt interessant wordt. De
zang is ingetogen, nergens rauw; eerder vlak en glad. Daarnaast wordt van het
potentieel van de studiomuzikanten weinig tot geen gebruik gemaakt. Maar hetgeen
de deur helemaal doet dichtslaan is de laatste track bestaande uit een
interview; kwalitatief erg slecht opgenomen en uitgevoerd door een dame die het
giechelen tot een ware kunst weet op te voeren. De meerwaarde van deze
toevoeging ontgaat me totaal.
Dus.. Als ik Sugar Blue was geweest; dan had ik het aanbod van
een toer met the Stones met beide handen aangegrepen en had ik me beziggehouden
met die dingen waar ik goed in ben. In dit geval mondharmonicaspelen. De rest
zou ik overslaan.
Ik sluit af met: ‘DON’T CALL ME’.

De
bespreking door
fons
Daamen (Moulin Blues Ospel) van
2-5-2010
RICK ESTRIN & THE
NIGHTCATS - TWISTED
Rick Estrin mag geen onbekende heten binnen de
wereld van de blues, want al meer dan 30 jaar is hij de frontman geweest van
Little Charlie & The Nightcats. Na het vertrek van Litlle Charly lag het
misschien dan ook wel voor de hand dat Rick Estrin het stokje over zou nemen en
naamgever van de band werd. Nieuw binnen de band werd ook de naam van de Noorse
gitarist Kid Andersen die de lege plek die Charly Baty achterliet innam. Deze
bezettingswisselingen maakten dat er in feite een nieuwe band was ontstaan die
in de nieuwe samenstelling en onder de nieuwe naam een nieuw album heeft
uitgebracht, met de titel ‘TWISTED’. Eigenlijk hebben we dus hier te maken met
een debuutalbum.
Ga maar eens luisteren naar: ’BIG TIME’.
Het was al vroeg duidelijk dat Rick Estrin een
uitzonderlijk mondharmonicaspeler was. Ook Muddy Waters was dat al opgevallen.
Hij was het ook die zeer lovende woorden over de verrichtingen van Estrin sprak,
toen deze nog aan het begin van zijn carrière stond.
Ook op het nieuwe album zijn het Estrin’s kwaliteiten als mondharmonicaspeler
waar het grotendeels om draait. En eerlijkheidshalve moet ik erbij vertellen dat
dit ook haast niet anders kan. Estrin is namelijk niet gezegend met een erg
sterk stemgeluid; enige compensatie moet dan ook wel uit andere kwaliteiten
komen.
Daarnaast wordt hij op het album begeleidt door een band waar hij best trots op
mag wezen, want naast een erg goede ritme sectie die weet wat drummen en bassen
inhoudt mag ook het gitaarspel van Kid Andersen niet onbenoemd blijven. Met zijn
gitaar kan Andersen als geen ander het gevoel dat bij een nummer past etaleren.
Hij verstaat ook de kunst om te variëren met van diverse stijlen binnen een en
hetzelfde nummer. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het nummer: EARTHQUAKE;
waarin het gaat van rockabilly naar surf tot blues.
Het is al gezegd; eigenlijk is dit een debuutalbum, maar het zal ook duidelijk
zijn dat Estrin door zijn jarenlange ervaring als muzikant weet hoe het hoort.
Ondanks het feit dat het alle kanten op gaat met de muziek op dit album, klinkt
het allemaal erg vertrouwd en zal het de ware bluesliefhebber niet onberoerd
laten. Het album mag dan ook tot een absolute aanrader worden bestempeld.
Ik sluit af met: ‘SOMEONE, SOMEWHERE’.

De
bespreking door
fons
Daamen (Moulin Blues Ospel) van
25-4-2010
WILLY CLAY BAND -
BLUE
Overal ter wereld wordt muziek gemaakt. Ook in
het uiterste noorden van Zweden in het mijnwerkersplaatsje Kiruna gebeurt dat.
Er komt zelfs een band vandaan met een naam die je niet meteen in verband brengt
met Zweden, namelijk de Willy Clay Band. Dat de muziek van deze band geschaard
kan worden onder de noemer countryrock mag alleen nog maar meer verbazing
wekken.
‘BLUE’ is het tweede album van de band. Het is de opvolger van het vier jaar
geleden uitgebrachte succesvolle debuutalbum ‘REBECCA DRIVE’.
Ga maar eens luisteren naar: ’STAY DOWN’.
Een hoesje van een album bevat vaak uiterst
nuttige informatie. Zo wordt er in de inleg van ‘BLUE’ vermeld dat het leven in
het noorden van de poolcirkel soms behoorlijk traag gaat. In het plaatsje Kiruna
neigen de mensen ernaar om eerst twee keer na te denken alvorens men tot actie
komt. En als er niets belangrijks te melden is, dan moet je stil zijn. Na het
album beluisterd te hebben denk ik: ‘Hadden ze maar gedaan wat ze daar
opgeschreven hebben’. Hadden deze vijf mannen maar twee keer nagedacht alvorens
dit album werd uitgebracht.
Want alhoewel met het openingsnummer ‘MOST OF ALL’ een veelbelovend begin wordt
gemaakt kan de band dit niveau over het hele album niet handhaven. Boosdoeners
zijn met name de elektrische tracks van dit 13 nummers tellende album. Op een
gegeven moment is daar de spanning wel af en biedt het weinig sprankelends.
Positieve uitzondering hierop is het nummer: ‘MODERN WORLD’; hier is nog muziek
met een enigszins rauw randje te ontdekken. Voor het overige is het alleen maar
meer van hetzelfde. Gelukkig staan er ook nog enkele akoestische tracks op het
album zoals: JAILBIRD; THE MINER; FAR AWAY en NEVER NEVER. Nummers die door hun
eenvoud en begeleiding op banjo, mandoline en steelgitaar een stuk prettiger
zijn om te beluisteren.
Je zou wensen dat de band meer van dit soort nummers had laten horen en dat ze
bedacht zouden hebben dat ze met een album met enkel akoestische nummers ook
iets te melden hadden gehad. Met dit album vertellen ze niets belangrijks,
althans niet wat al niet eerder gehoord is. Hier is alleen maar meer van
hetzelfde te horen hetgeen een groot risico in zich draagt ….. verveling
Ik sluit af met: ‘NEVER NEVER’.

De
bespreking door
fons
Daamen (Moulin Blues Ospel) van
11-4-2010
MEENA - TRY ME
Een uitnodigende titel op een cd met een voor
mij nieuwe naam. De cd is uiteindelijk in mijn speler belandt en inmiddels weet
ik ook iets meer over Meena; namelijk dat ze geboren is in 1977; eigenlijk
Martina heet; afkomstig is uit Oostenrijk; zij de muziek met de
spreekwoordelijke paplepel kreeg ingegoten aangezien zij uit een muzikale
familie stamt; dat ze door Europa en Noord Amerika heeft gereisd en dat ze daar
verliefd is geworden op Chicago. En dat ze van Thomas Ruf (Ruf Records) de kans
geboden kreeg dit debuutalbum ‘TRY ME’ op te nemen in Memphis; het Mekka van de
blues. Tijd dus om daadwerkelijk eens iets van haar muziek te gaan proberen.
Luister naar: ’PUT YOUR HANDS OUT OF MY
POCKET’.
Enige scepsis was me aanvankelijk niet
vreemd; zeker toen ik zag wat een keur van gasten er aan het album meewerkten.
Ik kwam de namen tegen van Joanne Shaw Taylor, Eric Sardinas, Donna Grantis,
Erja Lyytinen, Coco Montoya en Shakura S’ Aida. De gedachte drong zich op dat
met dergelijke namen iedereen wel een debuutalbum op zou willen nemen; de kans
dat een album niet goed ontvangen zou worden is daarmee immers tot een minimum
beperkt. Toch zou het niet eerlijk van mezelf zijn om deze vooringenomenheid
hier te bepalend te laten zijn. Gewoon luisteren en de muziek onbevangen over me
heen laten komen leek me daarom de beste optie en achteraf gezien heb ik daar
geen spijt van gekregen. Over het algemeen genomen is ‘TRY ME’ namelijk een goed
album, zeker voor een debuut. Het album bevat 12 nummers waarvan er 9 door Meena
zelf zijn geschreven. De drie nummers die dat niet zijn, zijn het openings- en
titelnummer ‘TRY ME’ van James Brown; ‘I’D RATHER GO BLIND’ bekend geworden door
de uitvoering van Chiken Shack en ‘JUST AS I AM’ van Luther Allison. De nummers
op het album variëren van melancholie naar het meer steviger werk zoals o.a. te
horen is bij ‘SEND ME A DOCTOR’ hetgeen gezien de ondersteuning van Eric
Sardinas bij dat nummer, niemand vreemd zal doen opkijken. Het, naar mijn
mening, absolute hoogtepunt van het album is echter tot het laatst bewaard. Dan
is daar Luther Allison’s: ‘JUST AS I AM’ in een werkelijk sublieme uitvoering te
horen. Met dat nummer zorgt Meena samen met Coco Montoya en Shakura S’ Aida voor
een prima afsluiting van het album.
De vraag of het album ook zo goed zou zijn geweest als Meena niet had kunnen
beschikken over het aantal gasten dat nu aan haar album hebben meegewerkt is
niet meer bij me opgekomen. Ik geloof namelijk wel dat zij haar weg binnen de
blues zal weten te vinden en ook dat we haar in de toekomst nog wel eens gaan
horen.
Ik sluit af met: ‘JUST AS I AM’.

De
bespreking door
fons
Daamen (Moulin Blues Ospel) van
4-4-2010
RECKLESS KELLY -
SOMEWHERE IN TIME
Voor het eerst maakte ik zo rond 2004 kennis
met de muziek van Reckless Kelly. Het internet afstruinend naar muziek belandde
ik bij ‘UNDER THE TABLE AND ABOVE THE SUN’; het toen vierde album van deze band.
De muziek klonk fris en vernieuwend; naar mijn idee ging het hier toch wel om de
betere americana. Reden genoeg dus om dat album rechtsreeks via de site van de
band te bestellen. Tijdens het openen van het pakketje dat ik met de post kreeg
toegestuurd werd de vreugde alleen maar groter bij de constatering dat alle
bandleden het album hadden gesigneerd. Voor mijn gevoel had ik hiermee toch weer
een leuk hebbedingetje in huis. Ik heb daarna niet veel meer van de band
vernomen, alhoewel er toch nog enkele cd’s uit hun naam zijn verschenen. Een
goed moment om eens stil te staan bij hun nieuwste album en kijken hoe de band
zich ontwikkeld heeft.
Ga luisteren naar: ’LITTLE BLOSSOM’.
Het album opent goed met het zojuist
gehoorde LITTLE BLOSSOM. Stevig gitaarspel en een hoog tempo. De daaropvolgende
twee nummers THE BALLAD OF ELANO DE LEON (met als gast Joe Ely) en Bird On A
Wire doen daar niet voor onder. Ook hier een hoog tempo, prima gitaarspel en
goede zang; deze muziek ligt prima in het gehoor. Helaas kan de band dit
hoopvolle begin niet doortrekken over het hele album. Vanaf het vierde nummer
zakt het tempo en daarmee ook de spanning in en wordt de muziek een soort
alledaagse country met weinig opzienbarende elementen. En dit is toch eigenlijk
wel jammer; temeer omdat het duidelijk is dat de band meer in zich heeft. Tussen
de 12 nummers zitten gewoon een aantal tracks die de moeite meer dan waard zijn.
Het zijn met name die songs waarbij rock meer op de voorgrond staat.
Wellicht dat een en ander te maken heeft met het feit dat Reckless Kelly met dit
album een eerbetoon heeft willen geven aan Pinto Bennet; een singer songwriter
op respectabele leeftijd die de band in haar beginjaren van de nodige adviezen
heeft voorzien en die ook een deuntje op dit album mee komt doen (THELMA).
Voor mij mag het, over het geheel genomen, wel iets steviger en spannender. Ik
zou weer graag die frisse, vernieuwende band willen horen die muziek maakt waar
je niet moeilijk over hoeft te doen, maar die gewoon lekker uit de speakers
knalt. Kortom Reckless Kelly mag zijn naam wel iets meer eer aandoen.
Misschien dat het er ooit weer van komt.
Ik sluit af met: ‘SOMEWHERE IN TIME’.

De
bespreking door
fons
Daamen van
21-3-2010
NICK CURRAN &
LOWLIFES - REFORM SCHOOL GIRL
Nick Curran is nu 32 jaar oud, maar al vanaf zijn 19e jaar is
hij professioneel muzikant. Qua muziekstijl is hij moeilijk in een hokje te
plaatsen. Het hele spectrum van rockabilly tot blues tot punk heeft hij namelijk
al gespeeld. Van 2004 tot 2007 maakte hij deel uit van The Fabulous
Thunderbirds, maar in die periode begon hij ook, samen met bassist Ronnie James,
de punkband Deguello. Een optreden met deze band inspireerde hem in 2008 tot het
beginnen van een nieuwe band: The Lowlifes. ‘REFORM SCHOOL GIRL’ heet het nieuwe
album.
Luister naar het titelnummer: ’REFORM SCHOOL GIRL’.
Met dit nieuwe album lijkt Curran te zijn teruggekeerd naar
zijn roots; al vanaf het openingsnummer ‘TOUGH LOVER’ , waar overigens Jason
Ricci nog een schitterende bijdrage levert op zijn mondharp, denk je in de jaren
’50 te zijn aanbeland. Wat je hoort is goeie, ouderwetse rock & roll. De tijd
van de de vetkuiven en pettycoats.
Dat is ook het beeld dat het hele album door blijft hangen; de oude tijden
blijven prominent aanwezig. De muziek doet vaak nog het meeste denken aan die
van Little Richard maar dan wel in combinatie met die van bijvoorbeeld The
Ramones. Bij ‘SHEENA’S BABY’ ,de 6e track van het album gaat het even meer
richting rhythm & blues en ook dat gaat de band prima af. Het album blijft staan
als een huis en gaat nergens vervelen. Zeker niet als op een gegeven moment Phil
Alvin (The Blasters) ook nog eens zijn steentje bij komt dragen op het nummer
‘DREAM GIRL’, door samen met Curran de zang en het gitaarspel voor zijn rekening
te nemen. Wat meer heb je nodig op zo’n moment?
Neen; deze cd heeft geen zwakke momenten. Vanaf het eerste
nummer blijkt Curran in staat om jou als luisteraar steeds meer te boeien.
Curran beleeft momenteel een moeilijke periode. Begin dit
jaar werd bij hem mondkanker geconstateerd. Nick heeft laten weten het gevecht
daartegen aan te gaan en hij weet zich daarin gesteund door een groot aantal
Nederlandse bands, want die hebben hem op 28 februari j.l. een hart onder de
riem gestoken door en benefietconcert voor hem te organiseren.
Laten we dus vooral hopen dat het met Nick weer goed komt;
want het zou toch mooi zijn als we nog veel meer van dit uitzonderlijke talent
krijgen te horen.
Ik sluit af met: ‘FLYIN’ BLIND’.

De
bespreking door
fons
Daamen van 7-3-2010
DRIVIN’ N’ CRYIN’ -
THE GREAT AMERICAN BUBBLE FACTORY
Na vorige week nog Kevn Kinney in de recensie
te hebben gehad is het nu de beurt aan de band waar diezelfde Kinney ook nog
deel van uitmaakt en min of meer de frontman van is. De band heet Drivin’ n’
Cryin’ en door het feit dat Kinney de afgelopen jaren meer met zijn eigen
carrière bezig is geweest heeft het toch al weer 12 jaar geduurd alvorens deze
band nu met ‘The Great American Bubble Factory’ voor de dag komt.
Ga maar luisteren naar: ’I SEE GEORGIA’.
Voor de titel van het album liet Kevn Kinney
zich inspireren door het opschrift ‘Made in Taiwan’ dat hij ontdekte op de doos
waarin de zeepbellenblazers verpakt waren die hij kocht voor enkele kinderen uit
zijn buurt. Het opschrift deed hem beseffen dat zelfs deze doorzichtige
zeepbellen werden geïmporteerd en niet uit Amerika afkomstig waren.
Aangezien Kinney ook verantwoordelijk is
voor de teksten bij de muziek van Drivin’ n’ Cryin’ zal het niet verwonderlijk
zijn dat ook nu weer de maatschappelijke betrokkenheid opvalt en gaan ook nu de
songs weer over de gewone man.
Het grote verschil zit hem veel meer in de uitvoering. Drivin’ n’ Cryin’ maakt
pure rock ’n roll. Dit varieert van spetterende nummers zoals: ‘Detroit City’ ;
‘I See Georgia’ ‘I Stand Tall’, en de rockversie van het titelnummer van
Kinney’s soloalbum ‘Preapproved Predenied’; naar meer ingetogen nummers als
‘Midwestern Blues’ en ‘Train Wreck’.
12 jaar is een lange periode; al die tijd
heeft de band geen albums meer gemaakt; en als ik dit album nu hoor moet ik toch
concluderen dat Drivin’ n’ Cryin’ het niet verleerd lijkt te hebben. De band
geeft er blijk van om ook na 12 jaar nog te weten hoe rock ’n roll gemaakt moet
worden. Mocht de uitdrukking ‘een tweede jeugd hebben’ nog altijd opgeld doen,
dan is dat zonder enige twijfel op Drivin’ n’ Cryin’ van toepassing, zo
enthousiast klinkt het allemaal. Maar wat nog belangrijker is; je wordt het zelf
ook. Je hoeft daarvoor alleen maar de volumeknop open te zetten en je helemaal
weg te laten blazen door deze band.
Ik sluit af met: ‘GET AROUND KID’.
